De jack-tekkel slaapt gemiddeld genomen onder een holletje dattie uitgraaft onder het dekbed.
Daar draait ‘ie dan z’n kontje in rond, zodat er een mooi rond holletje ontstaat. En daar slaapt ‘ie dan in.
Hele dagen, als het moet.
En er kan een complete wereldoorlog naast het holletje worden uitgevochten, maar meneer is onverstoorbaar.
Totdat het baasje roept. Dan schuift, nee, dan schiet de boef met ongekende snelheid het holletje uit, het bed af, de deur door, de trap af, dwars door de kamer heen, naar de kamerdeur, en staat daar dan hijgend te kijken: “We gáán toch? Nú? Metéén?”
Boven op de slaapkamer, op het bed, blijft een verstild en vereenzaamd holletje achter. Nog niet helemaal bewust dat de bewoner vertrokken is. Nog niet beseffend dat er ingestort moet worden. Leunend op niets, een illusie van hond, wachtend op dingen die komen gaan.