Zo eens in de paar jaar ruim je de zolder op.
En dan kom je van alles tegen. Gewone rommel. Die je na jaren van bewaren nu eindelijk weg gaat gooien. Geliefde rommel. Waarvan je altijd dacht dat je nooit zonder kon. Sentimentele rommel, waarvan je weet dat je makkelijk zonder kunt, maar ja, ach, weet je, het neemt nauwelijks ruimte in, het kan altijd nog…. Rommel waar je nu al soms twintig jaar van weet dat het weg kan, maar waarvan je toch altijd weer denkt dat je het liever nog een jaartje laat staan. Liever dan weggooien.
En wat me keer op keer verbaast is het schuldgevoel. Ik voel me altijd schuldig als ik iets weggooi. Dat arme ding. Jarenlang trouw z’n best gedaan, en na jaren van trouwe dienst eenzaam en verlaten op zolder achtergelaten. En dan nu de finale belediging: de kliko.
Meestal vindt het afscheid van de dierbare in het weekend plaats. En op donderdagochtend komt de vuilnisman. Of soms wel anderhalve week later pas. En al die tijd hoor ik het gebrom uit de kliko komen. Altijd voel ik de doorborende blik. Mijn spullen haten me.
En roepen me, gedempt vanuit de kliko na.
Ondank is ’s werelds loon.