Vandaag vroeg mijn vrouw of die oude pollepeltjes wegmochten. Vanwege de verbouwingsopruiming. En omdat er één vies was. En met weg bedoelde ze echt wèg. Vuilnisman-weg.
Ik heb daadkrachtig ingegrepen.
Neen, de pollepeltjes mogen niet weg! Nooit niet. Van z’n lang-zal-ze-leven-niet!
Het zijn lepeltjes met een geschiedenis, namelijk. Met deze lepeltjes heb ik leren koken. En ik heb ze al eerder het leven gered, ook nog.
Het zit zo: mijn moeder vond toen ik nog jong (héél jong) was, dat haar kinderen pas het huis uit mochten als ze voor zichzelf konden zorgen. We moesten dus al vroeg méékoken. Je hoorde je eigen potje te kunnen maken. Mijn vader was daarbij het slechte rolmodel: die kon nog geen water koken. En dat vond mijn moeder niet kunnen.
Zo kwam ik al vroeg in aanraking met de pollepeltjes. Ik moet een jaar of tien geweest zijn.
Toen ik uiteindelijk op mezelf kwam te wonen werd ik opgescheept met een paar nieuwe pollepels. Van dat ruwhouten, stroeve gedoe. Waar je vroeger ook ijslolliestokjes van had. En tongspatels bij de dokter. Alsof er iemand met z’n nagels over een schoolbord gaat. Rillingen over je rug, jakkes.
Ik vroeg mijn moeder hoe ze haar pollepeltjes zo zacht en glad had gekregen. “Die vieze ouwe krengen?”, riep ze. “Die heb ik al jaren, al vanaf het trouwen!” en ze sloot af met de diepgevoelde wens die ouwe krengen nou toch eindelijk eens in te willen ruilen voor nieuwe.
Ik zag mijn kans schoon. Een gouden gelegenheid!
Sluw bood ik haar mijn geheel nieuwe en nog vrijwel ongebruikte pollepels aan. En ze trapte er nog in ook, warempel!
En zo belandden de oude, door liefdevol gebruik zachtgeworden pollepeltjes in mijn eigen keuken. Pollepeltjes die notabene ouder zijn dan ik zelf.
En die nooit meer weggaan.
Van z’n lang-zal-’ze-leven niet.
[Die vieze heb ik gewoon schoongemaakt, daar is een truukje voor. Maar dan moet je mijn lepeltjes wel kennen; écht kennen]
“De appel valt niet ver van de boom……”
Wat je daar schrijft over je voorkeur voor juist die versleten voorwerpen komt mij niet onbekend voor.
Wij eten op feestdagen nog steeds onze warme maaltijd van de “delfts blauwe”borden die mijn ouders bij hun huwelijk kregen of kochten (1920).
Gebakjes worden hier ten huize nog geserveerd op gebaksschaaltjes die mijn moeder bij haar verloving cadeau kreeg.
En zo zijn er nog andere “herinneringen aan toen”, soms nietige, maar vaak heel dierbare.
de dromer
Precies. Het rode aardappelpannetje is nog van Tante Guus, net als de gietijzeren kleine koekepan. De grote geëmailleerde gietijzeren koekepan is nog van Oma Kok.
Dat vergeet je nooit meer.
En waarom heb ik nooit leren koken van het moeders??Juist…….omdat ze de goeie lepels niet had!!!…Bedankt joh!!!Ook namens mijn mannen…………….